Vrijstelling van de prospectusplicht
Wie effecten aanbiedt aan het publiek moet prospectus uitbrengen. Voor kleine aanbiedingen geldt echter een algemene vrijstellingsregeling. Deze is in de loop der jaren meermaals gewijzigd.
Wie effecten aanbiedt aan het publiek moet prospectus uitbrengen. Voor kleine aanbiedingen geldt echter een algemene vrijstellingsregeling. Deze is in de loop der jaren meermaals gewijzigd. Hier volgt een overzicht van de wijzigingen sinds 1 oktober 2017 tot en met 29 september 2026.
1 oktober 2017
Vóór 1 oktober 2017 vielen aanbiedingen van < € 100.000 niet onder de prospectusplicht. Voor dergelijke aanbiedingen was toen geen vrijstelling nodig. Aanbiedingen van < € 2,5 miljoen waren bovendien vrijgesteld van de prospectusplicht. Er moest dan echter wel een waarschuwingsbordje bij worden geplaatst.
Per 1 oktober 2017 werd de vrijstellingsgrens verhoogd tot < € 5 miljoen. Vrijstelling werd bovendien afhankelijk gesteld van voorafgaande melding van de aanbieding bij de AFM en gebruik van een model informatiedocument (bijlage A VrWft).
Deze wijziging bracht geen verandering ten aanzien van aanbiedingen van < € 100.000. Die vielen toen nog niet onder de prospectusplicht en behoefden dan ook geen vrijstelling daarvan.
21 juli 2019
Op 21 juli 2019 werd de Europese prospectusverordening (2017/1129) van kracht. Sindsdien volgt de prospectusplicht niet meer uit de Wft maar uit de prospectusverordening. Deze was echter niet van toepassing op aanbiedingen < € 1 miljoen. (1) Deze aanbiedingen vielen zodoende niet meer onder de prospectusplicht en behoefden daar dan ook geen vrijstelling meer van. De wetgever leek dat laatste over het hoofd te hebben gezien. Hierdoor ontstond er discrepantie tussen de wet en de toelichting daarop. Volgens de wet hoefden aanbiedingen van < € 1 miljoen niet te voldoen aan de vrijstellingsregeling. De wetgever meende dat dat wel het geval was (zie TK 35108 3 en Stcrt 2019 39021).
4 december 2024
Sinds 4 december 2024 is de prospectusverordening ook van toepassing op aanbiedingen van < € 1 miljoen. Dat kwam door het verval van het toenmalige artikel 1 lid 3 van de oorspronkelijke prospectusverordening (zie voetnoot 1). Daardoor vielen aanbiedingen van < € 1 miljoen weer onder de prospectusplicht. Voor deze aanbiedingen kon echter beroep worden gedaan op de vrijstellingsregeling. Daarvoor moest dan wel worden voldaan aan de voorwaarden die daarvoor golden.
5 juni 2026
Op 5 juni 2026 is de prospectusverordening wederom gewijzigd. Sindsdien zijn aanbiedingen van < € 12 miljoen in principe vrijgesteld van de prospectusplicht. Beslissend is daarbij niet de omvang van de aanbieding zelf, maar de optelsom van alle lopende aanbiedingen plus die tot 12 maanden terug hebben plaatsgevonden. (2)
De Nederlandse regeling is pas later aangepast op deze nieuwe situatie. Dat gebeurde door inwerkingtreding van de onderhavige implementatiewet op 29 september 2026. Van 5 juni tot 29 september had Nederland een vrijstellingsregeling voor aanbiedingen tot < € 5 miljoen terwijl de prospectusverordening aanbiedingen tot < € 12 miljoen vrijstelt.
Afgaand op die Nederlandse regeling golden in die periode voor aanbiedingen van € 5 tot < € 12 miljoen geen informatievoorschriften. (3) Afgaand op die regeling kan zelfs het standpunt worden ingenomen dat de onderhavige informatievoorschriften ook niet golden voor aanbiedingen van < € 5 miljoen. Ook voor deze aanbiedingen hoefde immers geen beroep meer te worden gedaan op de Nederlandse vrijstellingsregeling. De vrijstelling volgt (sinds 5 juni 2026) direct uit de prospectusverordening. Men gaat daarbij trouwens te rade bij de Franse of de Duitse versie. De Nederlandse versie is namelijk niet duidelijk in dit opzicht.
29 september 2026
Op 29 september 2026 is de Nederlandse vrijstellingsregeling aangepast. Dat gebeurde door inwerkingtreding van de implementatiewet (met MvT TK 36930 nr. 3). De Nederlandse voorschriften voor vrijgestelde aanbiedingen zijn nu geen voorwaarde meer om vrijstelling te krijgen, maar een verplichting (indien van de vrijstelling gebruik wordt gemaakt). Ze staan in artikel 5:4 Wft.
We kunnen de te onderscheiden perioden nu als volgt weergeven.

Sinds 29 september 2026 moet de aanbieder:
- voorafgaand aan de aanbieding een informatiedocument algemeen verkrijgbaar stellen op de wijze, bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de prospectusverordening;
- het informatiedocument voorafgaand aan de aanbieding aan de Autoriteit Financiële Markten zenden; en
- in reclame-uitingen vermelden dat voor de aanbieding geen prospectus algemeen verkrijgbaar behoeft te worden gesteld dat is goedgekeurd door de Autoriteit Financiële Markten. Dit moet gebeuren op een door de AFM aan te geven wijze. De vermelding moet ook worden opgenomen in documenten waarin een aanbieding in het vooruitzicht wordt gesteld.
Het informatiedocument bevat, in voorkomend geval, de gegevens, bedoeld in artikel 7, derde tot en met tiende lid en twaalfde lid van de prospectusverordening. De gegevens zijn correct, duidelijk en niet-misleidend.
De cryptische wijze waarop e.e.a. wordt omschreven hangt samen met de prospectusverordening. Deze bepaalt dat Nederland voor een vrijgestelde aanbieding kan eisen dat de uitgevende instelling een document deponeert en ter beschikking stelt van het publiek overeenkomstig de regelingen van artikel 21, lid 2, dat de in artikel 7, leden 3 tot en met 10 en lid 12, bedoelde informatie bevat (prospectusverordening, artikel 3, lid 2 quinquies).
*** Dit artikel is op 7 oktober 2026 geactualiseerd. Het was oorspronkelijk geschreven nadat de implementatiewet was aangenomen, maar voordat deze in werking was getreden. Verdere actualisering is niet voorzien. ***
Voetnoten
(1) Dat de prospectusverordening niet van toepassing was op aanbiedingen van < € 1 miljoen volgde uit het op 4 december 2024 vervallen artikel 1 lid 3 van de oorspronkelijke prospectusverordening. Dat luidde als volgt: Onverminderd de tweede alinea van dit lid en artikel 4, is deze verordening niet van toepassing op een aanbieding van effecten aan het publiek met een totale tegenwaarde in de Unie van minder dan 1 000 000 EUR, welke wordt berekend over een periode van twaalf maanden.
(2) Bij de grens van € 12 miljoen gaat het om de 'totale samengetelde tegenwaarde per uitgevende instelling of aanbieder, berekend over een periode van twaalf maanden'. Hiermee wordt bedoeld: "alle lopende aanbiedingen van effecten aan het publiek en aanbiedingen van effecten aan het publiek die in de twaalf maanden voorafgaand aan de aanvangsdatum van een nieuwe aanbieding van effecten aan het publiek hebben plaatsgevonden, met uitzondering van die aanbiedingen van effecten aan het publiek waarvoor een prospectus werd gepubliceerd of die op grond van artikel 1, lid 4, eerste alinea, waren vrijgesteld van de verplichting om een prospectus te publiceren. Voorts omvat de totale samengetelde tegenwaarde van de aan het publiek aangeboden effecten alle soorten en klassen van aangeboden effecten." (zie artikel 3 van de prospectusverordening)
Nederland voegde daar nog aan toe: "dat onverkort geldt dat voor bepaling van de tegenwaarde van de aan het publiek aangeboden effecten de totale tegenwaarde van de aanbiedingen van in een groep verbonden groepsmaatschappijen bij elkaar worden opgeteld." (Stcrt 2026, 32805).
(3) Naast de informatievoorschriften die volgen uit de Wft moet worden gewezen op de informatievoorschriften die volgen uit het burgerlijk recht (met name artikel 6:193f sub g BW dat verwijst naar artikel 6 van de prospectusverordening).